• twitter
  • fb
  • co
  • in

Elias

zondag 18 september 2011 00:00
Afdrukken PDF

Ton Elias site

Betere onderwijsprestaties vergen krachtiger schoolleiders, betere leraren en minder lange tenen

Vanaf het moment dat ik ruim een jaar geleden namens de VVD-fractie in de Tweede Kamer de prachtige portefeuille Primair en Voortgezet Onderwijs beheer, is mij nogal eens gevraagd naar een reflectie op mijn eigen schooltijd.
Deze bracht ik door op de Dalton Scholengemeenschap in het Zuid-Hollandse Voorburg. Een fijne tijd waaraan ik, naast een enkele hele slechte uitzondering, voornamelijk goede herinneringen aan de leraren heb overgehouden. Ik herinner mij gedreven mensen, die leerlingen serieus namen en met ze in discussie gingen. Grosso modo heerste er een tolerant klimaat op dat Dalton, dat echter wel aanzette tot argumenteren. Het zijn de cruciale jaren waarin je als vijftienjarige leert om niet alleen een bewering te doen, maar deze ook te staven. Juist in die zin was het een goede school.

De meeste docenten wisten op bekwame en gemotiveerde wijze de woelige jaren zeventigleerlingen naar een hoger niveau te tillen. Immers: in iedere klas zit talent - het kostbaarste kapitaal van een samenleving. Presteren gaat om het benutten van dit talent. Door systematisch en doelgericht te werken aan het maximaliseren van prestaties wordt voor elke leerling de basis gelegd voor een kans op de arbeidsmarkt en een kans op een goede kwaliteit van leven. Dat begint al op de basisschool. Daarmee levert het onderwijs wel degelijk ook een bijdrage aan een veerkrachtige economie. Ik ben het oneens met degenen die me het afgelopen parlementaire jaar verweten blind te zijn voor het “Bildungs”-element (hoezeer ook gebruikt als containerbegrip) van het onderwijs. Oog hebben voor het gegeven dat onderwijs een economische productiefactor van jewelste is, betekent niet automatisch gebrek aan zicht op de sociaal-maatschappelijke kant van de wat bredere ontwikkeling van de adolescent in ons onderwijs. Het is én-én.

Ambitieuzer leercultuur
Wat daar ook van zij, presteren kan op elk niveau en iedere stap omhoog is een prestatie. We moeten in Nederland toe willen werken naar een ambitieuzer  leercultuur waarin prestaties, meer dan nu, worden gewaardeerd en gestimuleerd. Zonder ambities geen betere prestaties.
Leerlingen hebben daarin een belangrijke eigen verantwoordelijkheid, al ligt deze zorg in het primair onderwijs natuurlijk meer bij de school en de ouders. Maar in het voortgezet onderwijs zijn toch de belangrijkste mensen in een school, na de leerlingen, de leraren. De docent levert een fundamentele bijdrage om het talent van leerlingen nader te ontplooien. Alle internationale onderzoeken wijzen uit dat de belangrijkste succesfactor in het onderwijs de man of vrouw voor de klas is.

Twijfelgevallen en notoire zwakkelingen
Bij de behandeling van de onderwijsbegroting in november vorig jaar, heb ik bewust scherpe woorden gehanteerd over het leraarschap. Ik wees erop dat ook vanuit het onderwijs zelf steeds luider wordt vastgesteld dat tien tot dertig procent van de leraren niet goed (genoeg) functioneert. Hoewel ik ook -en zelfs nadrukkelijk!- vaststelde dat er vele enthousiaste leraren zijn, is vooral het deel van mijn betoog waarin ik voorstelde om twijfelgevallen bij te scholen en notoire zwakkelingen te ontslaan, onthouden.
Ik sta nog steeds achter mijn oproep. Uit lesobservaties van de Inspectie van Onderwijs blijkt dat een op de tien leraren in het voortgezet onderwijs geen goede instructies geeft en dat een op de vijf leraren de tijd in de les niet efficiënt gebruikt. De helft van de leraren kan het onderwijs niet afstemmen op verschillen tussen leerlingen. Daarnaast dalen de examencijfers van de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde en ook dat heeft volgens de Inspectie te maken met de kwaliteit van de leraren.

Docentenkamer met lange tenen
De reactie die ik kreeg waren tweeledig. Er zijn docenten die zich ten volle bewust zijn van de kwaliteitsslag die gemaakt moet worden. Maar er schoten er ook nogal wat in de kramp - het Nederlandse docentencorps blijkt niet de meest introspectieve beroepsgroep en kritiek van buitenstaanders leidt al snel tot gejeremieer. Een docentenkamer telt al rap vele lange tenen. Op mij werkt dat averechts, overigens, maar dat terzijde.  
Kwalitatieve verschillen tussen leraren zijn binnen scholen overigens uitstekend bekend. Lange tijd waren die verschillen niet bespreekbaar – en nog steeds ligt het heel gevoelig. En toch moeten we het beestje toch bij de naam noemen: er zijn veel goede leraren, maar er lopen te veel zwakke leraren rond, die niet in zichzelf investeren en die matig tegen kritiek kunnen.

BAPO onverdedigbaar
Zomaar een voorbeeld. Onlangs heeft de Kamer een motie van mijn hand aangenomen die oproept de veel te dure BAPO-regeling, een arbeidsurenvermindering voor ouder personeel, af te schaffen. Onmiddellijk werd vanuit de onderwijswereld gesuggereerd dat ik daarmee een paar honderd miljoen wil bezuinigen. Niets is minder waar, ik heb voorgesteld de vrijkomende gelden te investeren in de arbeidsvoorwaarden van leraren die zich nog wel actief voor het onderwijs willen inzetten. Dat oudere leraren, soms al vanaf hun 55e, zoveel extra vakantie kunnen opnemen, is niet van deze tijd. Hun ervaring hebben we hard nodig. Bovendien blijft er door deze kostenexplosie ook nog eens veel te weinig geld over voor jonge enthousiaste docenten. Ik hamer op dit voorbeeld, omdat ik nou juist zou menen dat de onderwijswereld zelf de flexibiliteit zou willen opbrengen om vast te stellen dat deze regeling echt niet langer kan. Vele individuele docenten zijn dat overigens wel met me eens, maar de officiële geluiden klinken anders. Bijna vijf procent van het onderwijsgeld in het MBO dreigt in 2014 op te gaan aan deze BAPO. Ik vind dat onverdedigbaar - en snap niet waarom het een van de vele te slechten taboes in onderwijsland vormt.   
Die jonge, gedreven en enthousiaste mensen zouden we overigens ook wel eens uit het bedrijfsleven kunnen halen. De VVD wil meer ZZP’ers voor de klas. Zelfstandigen met een schat aan werkervaring waardoor we wat afstand kunnen nemen van het onderwijscorporatisme en meer buitenstaanders met een frisse blijk binnen halen. Er zijn een heleboel bekwame mensen, die zich uiterst nuttig kunnen maken in het onderwijs, die werkelijk niet allemaal (denk aan een instructeur/monteur op het VMBO) bevoegd moeten zijn.
Wel moeten er nu eindelijk structurele verbeteringen in de opleiding tot leraar komen, de PABO. Studenten van de lerarenopleiding blijken slechter te rekenen dan de beste leerlingen van groep 8 van de basisschool. Verder komt slechts twee procent van onze aspirant-onderwijsgevenden van een universitaire lerarenopleiding. De kwaliteitsverhoging van de lerarenopleiding wordt voortgezet; in de PABO moet differentiatie komen, die leidt tot een brede bevoegdheid voor de hele basisschool, maar tot een specifieke bekwaamheid voor het jongere of oudere kind. En zouden niet veel meer leraren een masteropleiding op universitair of HBO-niveau moeten hebben? Het lijkt mij dat dit de kwaliteit alleen maar bevordert.     

Prestatiemeting
Leraren horen niet door te groeien op basis van automatismen als lengte van het dienstverband, maar op basis van prestaties. Wie het goed doet, moet daarvoor beloond worden. Het eerste dat in zaaltjes met leraren geroepen wordt als ik dit naar voren breng is dat er geen criteria voor prestatiemeting mogelijk zijn. Wat een onzin! Op de gang en op fluistersterkte weet iedereen exact wie de slechte en wie de goede leraren zijn. Het begint ermee dat directeuren, rectores en schoolleiders serieuze beoordelings- en functioneringsgesprekken dienen te voeren, die vervolgens ook worden vastgelegd. Bij teveel scholen gebeurt dit nog steeds niet of niet serieus. Verder zijn geobjectiveerde, anonieme leerlingenenquêtes een uitstekend middel gebleken om (let wel: als één van de indicatoren) een goed beeld van de kwaliteit van leraren te krijgen. In de praktijk blijkt het een nefaste misvatting te zijn dat de populaire leraar van de Londen reis het hoogste scoort en de nare lerares Duits het laagst. Leerlingen hebben verdraaid goed door waar hun echte belang ligt als het om goed les krijgen gaat. Verder zijn prestaties van kinderen te meten. Dat moeten we dan ook regelmatig doen aan de hand van toetsen. En tegen de critici van toetsen breng ik in dat de paradox van vaker toetsen zal zijn dat de stress voor de enkele toets (de rare situatie nu dat de CITO-toets hele gezinnen tijdelijk ontwricht en ouders en kinderen in de stress jaagt) juist zal afnemen, wanneer de toetsfrequentie toeneemt. Toetsen worden dan ook wat ze behoren te zijn: een middel om te bezien of en hoe het kind is gevorderd. Tezamen met het leerlingvolgsysteem geven toetsresultaten óók een objectieve indicatie van de toename van leerwinst bij kinderen en klassen - ook een effectief prestatiemeetmiddel ten behoeve van het dossier van de individuele leraar. Wederom: als één van de onderdelen van het totale beoordelingsscala in handen van de schoolleiding.
Tenslotte mag het beroepsregister niet onvermeld blijven, waarvan ik namens mijn fractie een warm voorstander ben, mits het wat gaat voorstellen. Idealiter krijgt het op niet al te lange termijn een serieus civiel effect: wie niet aan de eisen van het register voldoet, mag het vak van leraar niet langer uitoefenen. Ook niet op een andere school, nadat een omzichtig gezwachteld vertrek met de mantel der liefde is bedekt en niemand te weten krijgt waarom een leraar naar elders vertrok. Ook, wat zeg ik, juist schoolleiders moeten onder dit beroepsregister gaan vallen. Het wordt dezer dagen opgetuigd met meewerking van de sector; laten we hopen dat het geen zwak onderwijspolderkindje wordt, maar een serieus kwaliteitsinstrument.

Kabinet-Rutte en onderwijs
Er ligt een heel scala aan mogelijkheden open om tot betere prestaties in het onderwijs te komen. Het kabinet heeft van de Tweede Kamer net voor de zomer groen licht gekregen om drie actieplannen uit te gaan voeren, die concreet invulling geven aan een aantal van de bovenbeschreven ontwikkelingen. Het zijn stappen op weg naar een ambitieuzere leercultuur in alle onderwijssectoren, waarin scholen systematisch en doelgericht werken aan het maximaliseren van de leerprestaties.
Wie zei er dat het kabinet-Rutte niet om onderwijs geeft?

Ton Elias, 2e Kamerlid VVD

(Ton Elias deed eindexamen in 1974 en was van 1977 tot 1995 journalist (o.m. NOS-TV en RTL-4). Vervolgens was hij directeur Communicatie bij Aegon tot 2000. Daarna richtte hij Elias Advies (persstrategie) en Elias Communicatie (uitvoering communicatiewerk) op en was ondernemer. Sinds 2008 is hij Kamerlid van de VVD, met in portefeuille ondermeer Onderwijs en het functioneren van de Kamer zelf. )

bot-ban1  bot-ban2  bot-ban3  bot-ban4  bot-ban5  bot-ban6

NIEUWSBRIEF