Wat is het belang van het onderwijs in onze samenleving?
Ten eerste is onderwijs een enorm belangrijke sector in onze samenleving. De invloed van onderwijs op de menselijke ontwikkeling is groot en wordt ook steeds groter. Levenskansen van mensen worden nu veel meer bepaald door het onderwijs dan bijvoorbeeld twee generaties geleden. Mijn vader was nog in staat een goede carrière te maken met alleen zijn gymnasiumdiploma. Dat is nu ondenkbaar. Wat dat betreft is onderwijs dus belangrijker geworden.
Daarnaast speelt opleiding ook een grote rol op het gebied van gezondheid, levensverwachting, huwelijksgeluk, et cetera. Hoogopgeleiden zijn over het algemeen namelijk gezonder, leven langer en hebben een gelukkiger huwelijk dan laagopgeleiden. Dus in een heel aantal domeinen zie je dat onderwijs invloed heeft en een belangrijk fenomeen is.
Tegelijkertijd hangt de persoonlijke ontwikkeling van mensen ook van een heleboel andere factoren af; onderwijs bepaalt maar ongeveer voor één derde waar mensen terecht komen. Bijvoorbeeld als je kijkt naar allochtone studenten zie je dat het nest waar ze uit komen nog steeds een hele grote invloed heeft op hun economische succes. Daarnaast wordt je IQ niet ontwikkeld in het onderwijs; je hebt het wel nodig om onderwijs te volgen, maar je IQ wordt genetisch bepaald. Onderwijs stuurt dus bij en helpt, maar andere factoren zijn minstens even belangrijk.
Er is een heel beroemde socioloog die ooit gezegd heeft: schools cannot compensate for society. Dat principe geldt nog steeds. Sociale ongelijkheid, etnische ongelijkheid, sociaaleconomische ongelijkheid, sekseongelijkheid zijn vaste gegevens die door scholen voor een deel verzacht kunnen worden, maar niet weggenomen.
Ten tweede speelt onderwijs een aanzienlijke rol in het leven van heel veel Nederlanders. Ongeveer een kwart van de Nederlandse bevolking volgt onderwijs in welke vorm dan ook. Nog eens 400.000 mensen werken in het onderwijs. Je kunt er dus vanuit gaan dat in de helft van de gezinnen onderwijs een vast onderwerp van gesprek is. Het is een enorm massief maatschappelijk verschijnsel. Hierdoor trekt het altijd veel aandacht. Het nadeel hiervan is dat iedereen denkt er verstand van te hebben en iedereen heeft er ook een mening over. Maar als je op de bank voetbal kijkt, betekent dat toch ook niet dat je goed kan voetballen?
Wat vindt u van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs?
Ik denk dat wij in Nederland heel goed onderwijs hebben in vergelijking met veel andere landen. Er zijn natuurlijk landen die het beter doen en het kan dus beter in Nederland, maar we zitten gewoon in de mondiale top vijftien, wat een goede prestatie is.
Opvallend is dat we vooral goed zijn in het verzorgen van onderwijs aan kinderen die niet zoveel kansen of talenten hebben. We slagen erin hen relatief ver te laten komen in vergelijking met het buitenland. We zijn er alleen niet zo heel goed in om talentvolle kinderen topprestaties te laten leveren. Dat is wel een typisch kenmerk van het Nederlandse onderwijs.
Ook hebben we een heel efficiënt onderwijssysteem. We doen met weinig geld relatief veel in vergelijking tot het buitenland.
Toch wordt er vaak geroepen dat het slecht gaat met ons onderwijs. Hoe zit dat?
Er wordt natuurlijk vaak geroepen dat ons onderwijs slechter is dan vroeger, maar daar ben ik het mee oneens. Als je kijkt naar de feiten, zie je dat we nu veel grotere groepen in het onderwijs hebben als vroeger waar we al met al heel aardig onderwijs voor maken. Laat ik het voorbeeld van de PABO’s nemen: tegenwoordig laten we veel mbo-leerlingen toe op de PABO. Dat zijn niet de allersterkste studenten in die scholen. In de tijd dat ik op de lerarenopleiding zat, was dat anders. Ongeveer de helft had toen een vwo-achtergrond. Waarschijnlijk is het niveau op die PABO’s toen wel hoger geweest, dankzij het feit dat de vooropleidingen hoger waren. Misschien zijn hbo-studenten nu dus wel dommer, maar ik denk dat ze vroeger te slim waren. De helft van de hbo-studenten van toen hoorde op de universiteit thuis. Zij zaten ten onrechte in dat hbo-systeem, omdat dertig à veertig jaar geleden alleen de intellectuele elite wetenschappelijk onderwijs volgde. Natuurlijk is er dan een ander niveau dan in deze tijd waarin ook jongens en meisjes uit arbeidersgezinnen volop meedraaien op de universiteit. Zij missen in vergelijking met de elitaire studenten uit de jaren zestig en zeventig wel wat culturele bagage, maar dat hoort erbij. Als het stelsel er wat meer werk van moet maken om ze toch op hetzelfde niveau te krijgen, ben je gewoon bezig met waar onderwijs voor bedoeld is. Daarnaast heerst er, wat maatschappelijk vaak heel lastig uit te leggen is, een oud sentiment dat teruggaat op de Grieken. Zij vonden al dat de vorige generatie slimmer was dan hun generatie. Als je eenmaal op het pluche zit wil je niet voor jezelf toegeven dat de komende generatie misschien wel slimmer is. Je kunt veel beter denken dat het maar goed is dat jij die baan hebt, omdat de rest dommer is. Er is eigenlijk gewoon sprake van cognitieve dissonantie. De onderzoeken bevestigen dat: de huidige generatie is beter opgeleid dan de vorige generaties, maar het kan natuurlijk altijd beter. Je kunt nooit zeggen het is nu goed genoeg. Het gaat over talenten, over kansen voor jonge mensen, dus je moet altijd alles uit de kast halen.
Waar liggen wel kansen voor verbeteringen?
Het onderwijs zou er goed aan doen meer nieuwe technologie in te zetten. Het onderwijs loopt technologisch gezien nogal achter en door dat te moderniseren kun je beter onderwijs maken. In andere sectoren moderniseren ze ook constant, alleen het onderwijs loopt achter.
Daarnaast zou het beter kunnen door meer academici in te zetten in het onderwijs. Momenteel is het aantal academisch geschoolde docenten laag. Ik pleit ervoor dat alle docenten een master doen, niet alleen om les te geven op het vwo, maar ook op het vmbo en in het basisonderwijs. Het is ook raar eigenlijk als je kijkt naar de beïnvloedingsperiode. Bij jonge kinderen kan je het meeste bereiken en dat laten we juist door de laagst gekwalificeerden doen, terwijl de allerslimste en meest zelfstandige studenten door de hoogst opgeleide docenten worden begeleid. Dat is natuurlijk prachtig, maar de vraag is of het niet efficiënter zou zijn om deze docenten in te zetten op het moment dat zij de meeste impact kunnen hebben op de ontwikkeling van kinderen. De beste manier zal wel ergens in het midden liggen.
Wat is uw visie op leraarschap?
Ik heb een idealistische visie op leraarschap, waarvan ik weet dat ze niet geheel realiseerbaar is. Maar ik zie leraren zoals ze zouden moeten zijn: vakvolwassen professionals die niet alleen onder schooltijd, maar ook daarbuiten, bezig zijn met het ontwikkelen en opvoeden van mensen. Daarnaast zijn ze belangrijke cultuurdragers. Hiermee bedoel ik dat als een juf bijvoorbeeld in de supermarkt loopt en kinderen uit haar klas iets ziet stelen, zij hier iets mee moet doen, ook al is het buiten schooltijd. Ik snap dat leraren niet 24/7 in touw kunnen zijn, maar ik vind dat volwaardig leraarschap meer is dan de technische truc die ze voor de klas uitvoeren. En dat bedoel ik dus met het idee van die cultuurdragers: leraren zijn opvoeders in bredere zin. Dit houdt ook in dat ze rolmodellen zijn, zowel op als buiten school. Ik zou willen dat scholen en opleidingen meer aandacht besteden aan het benadrukken van het feit dat leraren rolmodellen zijn. Het is bewezen dat leerlingen heel erg goed kijken naar het gedrag van de leraar. En dan niet alleen in de klas, maar ook daarbuiten: hoe hij in zijn auto stapt en wegrijdt, maar ook hoe hij zich aan de rand van het voetbalveld op zaterdagmorgen gedraagt. Dat betekent dat een leraar daar in zijn opleiding op voorbereid moet worden, dat er in selectieprocessen naar gekeken moet worden, en misschien niet voor iedereen, maar bijvoorbeeld voor de kernstaf, dat benadrukt wordt dat de leraar zich moet realiseren dat het meer is dan alleen een onderwijskundige taak tijdens de lesuren. Het management moet er dan wel voor zorgen dat zij ondersteuning biedt, dat de docent krijgt wat hij nodig heeft om als rolmodel te kunnen functioneren. Daar schort het nog vaak aan.
Het is interessant dat met name allochtone docenten, daar hebben we er trouwens veel te weinig van, daar maatschappelijk een grote rol in zouden kunnen spelen, vooral voor leden van hun eigen gemeenschap. Juist voor die groep geldt ook dat zij heel erg overbelast raken hierin, omdat zij vaak voor alle ‘problemen’ onder leerlingen van gelijke afkomst, ingezet worden. Zij hebben dus letterlijk meer dan die dagtaak, en vullen die rol breed in, maar dat is ook wel heel mooi. Je ziet dan echt: die leraar is bijzonder, die staat ergens voor. Dat beeld zijn we wel kwijtgeraakt door bijvoorbeeld veel parttime werkers, dalend opleidingsniveau en verslechterde arbeidsvoorwaarden. Hierdoor wordt de definitie van het leraarschap steeds smaller. Ik kom op school en van 8.30 – 15.00 uur doe ik een kunstje.
Hoe zit het met de aantrekkelijkheid van het leraarschap?
Leraren moeten hard werken en hebben het op onderdelen zwaar. Ik zeg er overigens wel altijd bij dat het echt niet de enige beroepsgroep is die hard werkt en het zwaar heeft. Er zijn natuurlijk ook een aantal voordelen: ze hebben aardig wat handelingsvrijheid in de klas, hun werktijden zijn aardig flexibel en ze hebben lange vakanties. Het is geen makkelijk werk, dat vind ik zelf ook niet, maar dat geldt voor zoveel functies. Maar goed, dat speelt mee in het feit dat de aantrekkelijkheid van het leraarschap niet heel hoog is. Daar zit overigens wel iets bijzonders in: er wordt vaak geroepen dat de status van het leraarschap gedaald is, maar als we daar als onderzoekers naar kijken, dan vinden we dat niet. Het opvallende is dat als je de Nederlandse bevolking vraagt hoe belangrijk ze leraren vindt, dan blijft de waardering voor het leraarschap onveranderd hoog. Het is alleen jammer dat dit zich niet vertaald in meer aanmeldingen op lerarenopleidingen. Veel mensen vinden onderwijs hartstikke belangrijk, leraren doen belangrijk werk, dat is goed werk, maar als mijn zoon/dochter nu thuis zou komen met de mededeling: “Ik ga naar de PABO”, dan zou ik toch zeggen: “Joh, zou je niet wat anders gaan doen?”
Waar dat aan ligt? Dat weten we eigenlijk niet zo goed. Verhalen over het onderwijs spelen natuurlijk een rol: er lijken twee werkelijkheden langs elkaar te schuren. Aan de ene kant zegt men dat onderwijs heel belangrijk is, niemand ontkent dat, maar tegelijkertijd is er wel veel gedoe over het leraarschap. Het lijkt iets te zijn waar je niet zoveel succes in kunt boeken.
Daar is Finland een heel leuk voorbeeld van. Finland heeft een overschot aan hele goede leraren. Alle leraren zijn academisch opgeleid en er zijn wachtlijsten voor de lerarenopleidingen. Een van de verklaringen is dat leraren in Finland meer onderdeel lijken te zijn van een winning coalition. Hun onderwijssysteem is hartstikke goed en dat krijgen ze ook voortdurend te horen, en dat is natuurlijk een prettige werkomgeving. In Nederland lijkt de boodschap vaak door al het gedoe over de kwaliteit van de PABO’s dat er geen succes mee te behalen valt en dus vinden veel jongeren het niet erg aantrekkelijk om leraar te worden.
Zou dat in Nederland om te keren zijn?
Nou, dat zal niet meevallen, maar ik denk dat je wel dingen kunt doen. Er moet sprake zijn van een soort gecombineerde aanpak: communiceren dat je de kwaliteitseisen echt hoog gaat houden, dat je er serieus werk van maakt en daarnaast voortdurend uitleggen dat het lerarenvak een modern vak is. Geen bord met krijt, maar laptop met beamer en social media. Daarnaast moet er meer aandacht komen voor personeelsbeleid in het onderwijs. We weten dat vrij veel jonge docenten het vak alweer snel verlaten onder andere omdat ze binnenkomen onderaan de pikorde, in een sterk vergrijsd team waar niet veel aandacht voor hen is. Terwijl juist jonge docenten in het begin veel behoefte hebben aan aandacht. Daar zijn echt nog wel stappen te maken.
Ik vind ook dat er behoefte is aan het vormen van een organisatie voor de beroepsgroep, naast de vakbonden, die zegt dat ze trots is op het vak en dat samen met elkaar ontwikkelen. En ik zou willen dat leraren wat meer in positieve zin zouden spreken over hun werk: vertel nou ook eens een keer over de leuke dingen die in de klas gebeuren en hoe geweldig het is om te zien wat er gebeurt als opeens dertig van die zesjarigen beginnen te ontdekken hoe leuk het is om te lezen.
Het rare is als je één op één met leraren praat dat ze bijna altijd heel trots en met veel plezier over hun vak vertellen, maar op de één of andere manier collectiviseert zich dat niet. Er lijkt een soort raar filter op te komen dat op het moment dat het allemaal een wat collectiever geluid wordt in de media of de politiek, dat daar een enorme zuurgraad in komt. En dat is doodzonde.
Speelt medezeggenschap & professionalisering ook een rol in de aantrekkelijkheid?
Ja, zeker. Als het over onderwijsvernieuwingen gaat of veranderingen van onderwijspraktijken wordt er heel vaak over leraren gesproken en zelden met leraren. Ik vind dat we leraren weer terug aan het woord moeten brengen als het gaat om het ontwikkelen van hun eigen vakpraktijk. Dus ga niet als management of als landelijke overheid zeggen van het moet allemaal zo, zonder die leraren gevraagd te hebben of dat wel zinvol is. Tegelijkertijd is het ook wel zo dat het merkwaardig is dat een beroepsgroep van 350.000 hoogopgeleide personen zich kennelijk door een paar handenvol adviseurs en politici alle kanten op laat sturen. Mijn favoriete voorbeeld hierbij is de invoering van het Studiehuis. Iedereen riep toen dat het zo’n onzin was en dat de studiebelasting te zwaar was. Leerlingen gingen protesteren, vonden hun weg naar Den Haag, maar van de leraren hoorde je weinig. Die hebben dat mokkend en morrend geaccepteerd. En dat is raar; ze maken geen voice. Niet in positieve zin, niet in constructieve zin, ze blijven een beetje morrend achter de geraniums zitten. En dat is heel merkwaardig. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de bezuinigingen in de kunstsector, gaat het daar slechts om een handjevol mensen in vergelijking met de onderwijssector, maar zij maken wel enorm veel herrie als er aan de kern van hun beroep gekomen wordt.
Ik zou bij leraren eigenlijk twee dingen willen. Ik zou meer pit willen zien, en ze ook positiever willen zien. Er gaan inderdaad dingen mis, maar er gaan ook heel veel dingen goed. Het goede wordt echter slechts heel summier uitgedragen.
Hoe ziet u de toekomst?
Ik ben een ongelooflijk optimistisch mens, maar ik maak me wel zorgen, omdat er sprake is van scheefgroei. Aan de ene kant speelt onderwijs een steeds belangrijkere rol, omdat je zonder diploma nergens komt, maar aan de andere kant daalt de beschikbaarheid van goede docenten. Je ziet het nu in aanzet scheefgroeien, maar op termijn zal dit uitgroeien tot een heel fors probleem. Laat ik er even vooral als socioloog over praten: onderwijs is de institutie in de samenleving die maatschappelijke posities verdeelt en die verdeling ook legitimeert. We vinden het bijvoorbeeld terecht dat iemand die hoger opgeleid is meer verdient en meer verantwoordelijkheid mag dragen. Voorwaarde is dan wel dat die samenleving vertrouwen heeft in de institutie die dat verdelingsproces doet. Als je geen enkel vertrouwen meer zou hebben in dat onderwijsproces, dan zijn die diploma’s ook niets meer waard, en dan verlies je een hele belangrijke maatschappelijke institutie. Dus ondanks het feit dat onderwijs echt niet het enige is dat ertoe doet, is het wel datgene dat maatschappelijk waarschijnlijk de meeste impact heeft. Er zijn hoge verwachtingen van de kwaliteit van diploma’s en als je die niet weet vast te houden, stelt het diploma eigenlijk niets meer voor.
Daarnaast wens ik, en hierbij is de wens duidelijk vader van de gedachte, dat er met name meer allochtone docenten zullen komen om als rolmodel te fungeren. Zij kunnen jongeren vanuit de eigen gemeenschap een wereldsere blik op de wereld bieden, want we leven natuurlijk wel in een globaal dorp. We hebben juist onderwijs erg hard nodig om die blik op de wereld open te gooien. In mijn ogen is het om die reden erg belangrijk dat die wereld vertegenwoordigd is in die school. En dat geldt voor allochtone docenten, maar bijvoorbeeld ook voor mannelijke docenten in basisscholen. Homogene teams zijn gewoon niet goed, ook al heeft het geen impact op de leerprestaties, omdat het een te eenzijdige afspiegeling van de samenleving laat zien. Willen we die wereld binnenhalen, dan zullen we het heel hard nodig hebben om die ruimere blik op de wereld vorm te geven. Ja en dan moet je dus ook een beetje ruimdenkende kosmopolitische, op een hoog niveau functionerende, docenten hebben voor dat onderwijs. En dat hebben we op dit moment niet.
Marc Vermeulen
Marc Vermeulen is directeur van IVA, een beleidsadvies- en onderzoeksbureau gelieerd aan de Universiteit van Tilburg. Hij heeft in het verleden de lerarenopleiding in Tilburg gevolgd en heeft voor de klas gestaan als leraar maatschappijleer. Na een aantal jaren heeft hij de overstap gemaakt naar de wetenschap. Hij studeerde onderwijssociologie en promoveerde in 1996 tot onderwijssocioloog. In 2002 werd hij bovendien hoogleraar.
Marc Vermeulen is een echte generalist in het onderwijs, waarbij overigens wel een specialisme zit rondom leraarschap. Hij kijkt naar algemene patronen in de onderwijswereld. Hij is dan ook meer geïnteresseerd in het stelsel, het systeem, dan bij wijze van spreken in de dynamiek in de klas.
Cascade interviewde hem over de kwaliteit van het onderwijs en zijn visie op leraarschap.